Nederland: Kasteel Heukelum (Heukelum, Gelderland)

Corrie (87) was kamermeisje op Kasteel Heukelum: Het was een andere wereld.
Corrie Meijdam kwam in 1956 als 25-jarige op kasteel Heukelum in dienst bij barones van Brandsenburgh-van Boetzelaer, toen haar man net overleden was. Haar zoon Rudolph woonde in Den Haag, maar kwam regelmatig een weekend naar het kasteel voor zijn paarden.
,,De barones was een heel lieve vrouw, al hadden we geen persoonlijke gesprekken, want het ging altijd over praktische zaken zoals de boodschappen'', herinnert Corrie zich. Tot ze trouwde in 1959 heeft Corrie haar als kamermeisje geholpen. ,,Ik had nog wel langer bij haar willen blijven, maar ik kon niet zo goed met de keukenmeid opschieten'', bekent ze. Huidige kasteelbewoner, kunsttaxateur Jan-Willem Ruyten (45) zegt: ,,Eigenlijk is hier niet zoveel veranderd. Het is een levend museum. In de winter is het heel koud, maar in de overige seizoenen is het een voorrecht hier te wonen.''
Corrie vertelt dat de barones in de wintermaanden naar een kleiner kasteel in Neerlangbroek ging, waar haar zus woonde. ,,Ik kreeg dan zes weken lang kostgeld uitbetaald en had vakantie.'' Het kasteelinterieur maakte grote indruk op haar. ,,Er was onder andere een rode en een witte kamer. Die laatste werd nooit gebruikt, daar zaten hoezen om de meubels. Op de trap lag een dikke loper, je hoorde niemand aankomen. Er stonden grote eiken kisten, harnassen en antiek. De wanden waren bespannen met gobelin, overal hingen schilderijen. Het was voor mij een hele verandering, want daarvoor was ik gewoon thuis en had een paar werkhuisjes.''
Vingerkommetje
Volgens Corrie heeft ze veel geleerd bij de barones. ,,Visite ontvangen en keurig tafeldekken bijvoorbeeld, met bloemen die de tuinman plukte. Als de zoon duiven kwam jagen met zijn vrienden stonden er wel twintig borden op tafel. Als ik bezig was, gaf de barones aanwijzingen. Bij elk bord moesten drie glazen staan, waarvan één vingerkommetje.''
Corrie kwam uit Nieuw-Lekkerland en verbleef intern. ,,Om de veertien dagen was ik een weekend vrij en ik verdiende tachtig gulden in de maand.'' Ze deed het naaiwerk, maar hoefde niet schoon te maken. ,,Daar was een werkster voor, en wassen deed de keukenmeid. Maar de linnenkast maakte ik wel in orde.''
Het eten werd vanuit de keuken met een lift naar de rode eetzaal op de eerste verdieping getakeld, de Fabriciuskamer, waar Corrie de maaltijd opdiende. ,,Dan droeg ik een half schortje met een strook kant eraan.''
De kamer, vernoemd naar kasteeleigenaar Jonkheer Adriaan Cornelis Fabricius in 1813, is nu vernieuwd, maar de lift is verdwenen, vertelt Ruyten. Het schilderij 'Gezicht op Haarlem' uit 1852 van Johannes Wernardus Bilders heeft er een prominente plek gekregen. De pruik van Fabricius, die vrederechter was in Amsterdam, ligt in het museum van het kasteel, net als de sleutel van het Paleis van justitie.
Dankzij bewoner Baron Rudolph van Heeckeren van Brandsenburg kon het kasteel in 1988 door zijn dochter in zeer complete toestand overgedragen worden aan de vader van Jan-Willem Ruyten. ,,Mijn vader vroeg mij dit kasteel te laten restaureren. Het is nu nagenoeg klaar, al zijn er nog wat interieurzaken die beter kunnen. Recent is met provinciale subsidie de ophaalbrug nog gerenoveerd.''
Het kasteel ligt net buiten het oude vestingstadje Heukelum op de grens van Gelderland en Zuid-Holland, en werd in opdracht van familie van Arkel in 1285 gebouwd. Heukelum was toen een zogenoemde hoge heerlijkheid; een ministaatje met eigen munt, rechtspraak (halsrecht), windrecht, zwanendrift en collatierecht.
Pioenrozen
De Dameskamer werd zo genoemd omdat dit vertrek in de winter het snelst warm te stoken was. Bijzonder in deze ruimte en in de Grote zaal zijn de oorspronkelijke gordijnen, die door een groep vrijwilligers werden hersteld. De zijden wandbespanning is recent in Venetië gemaakt en door een stoffeerder uit Vught aangebracht.
Ruyten vertelt: ,,Het was een heel gepuzzel, want de kleuren van de roze lambrisering en de rode pioenrozen van het familieporselein moesten erin terugkomen.''
In de Grote zaal met een enorme open haard is de beschilderde, grof geweven linnen doekbespanning met jachttaferelen uit 1734 nog niet gerestaureerd of vervangen. ,,Daarom laten we de balken ook maar zitten'', zegt Ruyten en wijst naar de haveloze verf.
Corrie mijmert: ,,De freules van Mariënwaerdt kwamen af en toe op bezoek. Dan wierpen ze hun schoudermantel af, die ik moest opvangen. Het was een andere wereld, dat is niet meer te vergelijken met nu. Tegenwoordig is het persoonlijke helemaal weg.''
Dat de tijd niet stilstaat, bewijst de klokkenmaker, die één keer per week komt om alle dertig in het kasteel aanwezige klokken op te winden.

www.ad.nl (31-7-18)